Woordrapport

nov 28, 2017
jo jo

docent mike


Zestig woordrapporten scheiden mij van een bord curry en een aflevering Master Chef Australië. Het is bijna vijf uur als ik begin aan het eerste. De leerling over wie ik schrijf heeft tot nu toe niet veel uitgevoerd. Dat zet ik erin en ik voeg toe dat ik hem graag wil helpen om in actie te komen. Voor de tweede leerling geldt hetzelfde. Ik knip en plak. En ik knip en plak nog een keer, en dan weer. Voor ik het weet ben ik klaar. Dat viel mee. Het resultaat valt echter niet mee. Zestig zeer verschillende leerlingen zijn teruggebracht tot leerlingen die ‘meer moeten laten zien’ en leerlingen die ‘op de goede weg zijn’ of ‘het goed doen in de les’. Als ik ze niet persoonlijk zou kennen, zouden ze een saai clubje vormen. Omdat het tegendeel waar is, start ik opnieuw.


Weer begin ik met de leerling die niet veel uitvoert. Hij ziet het nut niet in van al dat ‘dat gezever over een schooluniform’. Bovendien kan hij zich thuis, met vier broertjes om zich heen, moeilijk concentreren. En omdat hij ‘s ochtends in het magazijn werkt en ook nog eens het eerste uur gym heeft, haalt hij zijn slaap in bij Nederlands. Ik kan dus niet volstaan met ‘kom in actie’. Een half uur lang ben ik bezig. Het bericht telt uiteindelijk tachtig woorden; dat is langer dan de gemiddelde alinea uit zijn vorige week geschreven betoog over het schooluniform. Ik probeer wat te schrappen.


De geur van het avondeten sluipt de werkkamer in. De teller staat op zes als mijn vriendin me vraagt de tafel te dekken. In de gang, met de laptop in mijn hand als een dienblad, schrijf ik nog gauw nummer zeven. De rest gebeurt na het eten, als ik in een veel lager tempo de breeduit lachende leerlingen op de foto aan mijn indruk van de foto in de lessen koppel. Op mijn tandvlees rond ik om tien over half twaalf de woordrapporten van één klas af. Ik ben redelijk tevreden, al is het lastig om de reactie van de leerlingen in te schatten. En die vind ik minstens zo belangrijk. Zouden ze begrijpen wat ik bedoel?


De volgende dag weet ik het: ik vraag het de leerlingen! Zij vullen hun eigen woordrapport in. Dat kan, toch? En pas daarna buig ik me erover. Dat ik daar niet eerder aan heb gedacht! Het vooruitzicht van de laatste dertig te nemen hordes verandert in een experiment waar ik die middag nieuwsgierig aan begin. Tijdens het vijfde uur vullen de leerlingen in hoe ze zichzelf inschatten. Daar zitten de meest eerlijke, verrassende en leerzame opmerkingen tussen. Ik neem ze één voor één dankbaar in ontvangst. ‘Ik vind Nederlands best leuk maar doe nooit iets en ik vind het belangrijk dat ik het leuk blijf vinden, dus…’ ‘Bij Nederlands is alles vaag. Soms is dat fijn, maar soms wil ik gewoon weten: dit is goed en dit is fout.’ ‘Volgens mij ben ik op de goede weg. Klopt dat, Mike?’
Het woordrapport is een gesprek geworden, met gelijkwaardige bijdragen.


Ik wil nooit meer anders. Vanaf nu kan ik altijd tegen de juiste leerling zeggen: ‘Ja, je bent goed op weg!’


Mike is docent Nederlands op een school in Wageningen. Voor Onderwijshelden blogt hij over zijn avonturen voor de klas.

No comments

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *